Verloren in vertaling #5:
De os en de ezel

BACK NEXT

donderdag 19 mei 2005
 
'Seen one temple, seen them all...' Dit is niet waar, maar na de vierde prachtige, serene schrijn in magnifieke landschapstuin gaat de glans er toch een beetje vanaf.

Klink ik zo blase genoeg? Ik meen er geen woord van! Na een maandagmiddag (bejubeld in de vorige ViV) en twee hele dagen in prachtig Kyoto was vandaag, de derde volledige dag, in een woord sprookjesachtig, bijna een climax van onze tijd in Kyoto. Onze kleine week hier geeft mij echt het gevoel aan het ware Japan te hebben geproefd. Maar laat ik tenminste een poging wagen om bij het begin te beginnen.

In de Zen-tuin van de Rioanji-tempel in noordwest-Kyoto liggen vijftien stenen verspreid over een rechthoekig veld van aangeharkt wit grint. De stenen liggen in vijf groepen gerangschikt. De precieze verdeling, zo wil de overlevering, maakt het onmogelijk om alle vijftien stenen gelijktijdig te zien; altijd ligt er een verborgen achter een andere. Het geheel is bedoeld om Zen-meditatie te faciliteren. Dit laatste wordt wat bemoeilijkt door de eindeloos toestromende groepen schoolkinderen (allen in keurig uniform) en toeristen; ook de Japanse uitleg die uit de luidsprekers schalt bemoeilijkt de soepele gang naar verlichting. Desondanks is het een vredige en esthetische aanblik.

Natuurlijk kon ik het niet laten om de zichtbare stenen te tellen; uiteraard kwam ik tot veertien. Ik zette enkele stappen verder de tempel in en keek weer opzij; nog steeds telde ik veertien stenen. Na nog een paar meter verscheen er achter de laatste hoge steen een nieuwe. Opgewonden keek ik terug naar het begin, want dit betekende natuurlijk dat de eerste steen nu uit het zicht zou zijn verdwenen. Met eigen ogen zou ik getuige zijn van het mysterie van deze Zen-tuin!

Maar nee.

Ook na driemaal tellen kon ik er niets anders van maken: vanaf mijn oogpunt waren alle vijftien stenen zichtbaar (1 t/m 7, 6 t/m 10, 8 t/m 12 en 11 t/m 15). Ik denk niet dat dit betekent dat ik Verlichting heb bereikt; veeleer zal het een indicatie zijn van de gemiddelde lengte van de Zen-monniken die oorsprong waren van de legende over die vijftien stenen...

De Gouden Pagode, eveneens in het noordwesten, is inderdaad verguld en ligt schilderachtig aan een vijver. De Heian-schrijn in het centrum van de stad is omgord met een adembenemende tuin. De Ginkakuji-tempel beschikt zowel over een fascinerende Zen-tuin (wit grint en stenen) als over een adembenemende tuin, waar meanderende paadjes telkens een andere aanblik op het tempelcomplex geven, een nieuw volmaakt doorkijkje bieden op weer een verrassend en prachtig stukje flora. Het Nijo-kasteel ademt historie; de vloeren kraken er met het geluid van nachtegalen (ik overdrijf niet).

En dit alles mogen wij tot ons nemen in stralend weer dat het goud doet glimmen, de tuinen stralen, mijn armen verbranden, de rokjes krimpen. Kan het schilderachtiger, serener, mooier?

Ja, bleek vandaag.

Nara, zuidelijk van Kyoto gelegen, was de eerste hoofdstad van het verenigd Japan (7e eeuw ongeveer, nog voor Kyoto en de huidige hoofdstad Tokyo). Eigenlijk zouden we er morgen heen gaan om te lunchen ter ere van mjn vijfendertigste, maar qua reisplanning kwam vandaag beter uit (wederom tijd voor voorbarige felicitaties dus!). In alweer stralend zomerweer reisden we vandaag per trein naar het zuiden om de lunch te gebruiken in Hotel Nara en ook in die stad de belangrijkste tempels te bewonderen.

Bij aankomst in Nara (na anderhalf uur in het boemeltje dat we per ongeluk hadden genomen) bleek de stad zelf een vrij lelijke, troosteloze aanblik te bieden. In Kyoto geven de eindeloze bovengrondse electriciteits-, telefoon- en andere kabels een prettig-rommelige aanblik; het is alsof er een net boven de straten hangt waar je veilig invalt als je parachute het begeeft. Nara daarentegen is van zichzelf te lelijk; daar geven de talloze bovengrondse kabels juist een armoedige indruk.

Maar toen we bij Hotel Nara kwamen was de lelijke stad vergeten. Een prachtig hotel, gebouwd in faux oud-Japanse stijl, met een uitzicht over de stad dat wordt verzacht door de rijke bebossing rondom het hotel, zeer correcte bediening en een bijna koloniale sfeer (Chris, denk Aswan). Daar gebruikten we een inderdaad voortreffelijke lunch, waarna Jaap zich in de tearoom nestelde terwijl ik Nara Park binnenwandelde voor het broodnodige zichtzien.

Aan Nara's oostflank ligt een uitgestrekt en niet bijster geinspireerd hertenkamp. Dit hertenkamp is het hart van een halve cirkel aan tempels en schrijnen. En een van die tempels staat bekend als het grootste houten gebouw ter wereld.

Geloof me, het grootste houten gebouw ter wereld is groot. Ik wist niet wat ik zag. Het is niet letterlijk zo groot als de Amsterdam Arena, maar heeft zoveel ruimte rondom dat het een onvoorstelbaar volumineuze indruk maakt. Ter vergelijking: de zestien meter hoge Boeddha die er middenin zit komt niet eens in de buurt van het vullen van de ruimte.

Nog vol ontzag over deze tempel dwaalde ik verder rond het terrein en werd mijn dag pas echt sprookjesachtig. Op een punt waar alle toeristen linksaf sloegen liep een klein paadje rechtdoor en zag ik geen obstakels. Ik ging dus het kleine paadje in en al na 20 meter was ik alleen op de wereld. Een prachtig bos had mij opgeslokt en zelfs het geluid van de drommen toeristen was achter me verstomd. Met een onwerkelijk gevoel liep ik zeker een halve kilometer door het groen, over kleine beekjes, bruggetjes, open plekjes en hellinkjes. Toen ik de bewoonde wereld weer bereikte, had ik niet eens meer trek in de tempel die daar ergens zou liggen en maakte ik gewoon rechtsomkeert om het paadje nog een keer te beleven.

Later bleek het Lover's Lane te heten. Ik kon het me voorstellen.

En op de terugweg aten de reeen in het hertenkamp uit mijn hand. In mijn stemming was dat een verrijking, een stukje magie, een extra wonder. (In de werkelijke wereld deden ze dat bij alle toeristen; die beesten zijn er volkomen tam en wat ze uit mijn hand aten waren hertenwafels die bij de toeristische stalletjes werden verkocht.)

Tot de volgende keer!
Floris

PS: Op de terugweg naar Kyoto zagen we uit de trein grote bamboe-bossen. Dat gaf me plots een extra sterk gevoel van ver weg te zijn: bamboe-bossen, die aan de andere kant van de wereld voorkomen, groeiden langs de spoorlijn waar ik mij over bewoog...
 
BACK NEXT