| BACK | |
woensdag 25 mei 2005 |
|
| '[Toen de commerciele zenders in Nederland nog niet zo lang bestonden, had Veronica de gewoonte om na het reclameblok de laatste 30 seconden van de film te herhalen om de kijker in herinnering te brengen waar ze ook alweer waren gebleven. In die geest herhaal ik de laatste verhalende alinea van de vorige ViV:] De werkelijke bestaansreden van Nagiso is dezelfde als van die warme luchtstroom in de entreesluis van een warenhuis: acclimatisering. Ik kan me voorstellen dat de overgang van zelfs Europees Kyoto naar Tsumago te groot zou zijn als er niet slaperig Nagakatsuge en comateus Nagiso tussen zouden liggen. Tsumago is namelijk een oase van rust, waar eigenlijk alleen het asfalt verraadt dat het geen 500 jaar in het verleden ligt. Want zelfs de elders dominante bovengrondse telefoon- en electriciteitskabels zijn in Tsumago (vrijwel) afwezig; wat rest is een adembenemend schilderachtig historisch lintdorpje in een nog veel smallere en mooiere vallei dan die van Nagiso. Na Shinkansen, sneltrein, boemeltje en bus is er nog net geen koets of paard om ons verder te brengen; het is niet meer dan gepast dat we de laatste honderd meter te voet afleggen alvorens de eeuwenoude hoofdstraat te betreden. (De vernuftige wijze waarop in de bus het tarief wordt bepaald verdient ook aandacht, maar niet middenin dit stuk. Vraag me daar dus maar naar als ik weer terug ben...) Tsumago is als door een wonder eeuwenlang ontsnapt aan alle aardbevingen, branden en andere rampen die elders in Japan de historische bebouwing hebben verwoest. De Japanse overheid heeft dit feit erkend en van Tsumago een soort van beschermd historisch dorpsgezicht gemaakt. Kabels boven de bebouwde kom zijn verboden, evenals autoverkeer overdag. De hoofdstraat van het dorp slingert zich tussen huizen en winkels die volledig in oude staat zijn behouden, een soort Japanse-stijl vakwerkhuizen van prachtig oud-houten frames met daartussen bepleisterde rijstpapieren muren. Uiteraard zijn deze bouwsels in gebruik als souvenirwinkel of authentieke handwerkplaats om de ontelbare dagjesmensen te bedienen, maar zelfs dat is op smaakvolle wijze gedaan, en als de dagjesmensen vertrekken en de winkeltjes sluiten, daalt een paradijslijke rust neer en loop je door een bijna sprookjesachtig dorp. Ik overdrijf niet als ik vertel dat ik het eerste halfuur in Tsumago heb rondgelopen met ogen als schoteltjes en opengevallen mond. Het dorp zelf is zo mooi en zo authentiek dat het moeilijk is te geloven. Hier functioneert nog een origineel waterrad; daar ligt een oude tempel zoals we die uit Tokyo en Kyoto kennen, maar zonder folders en box office; en tegenover 'carp rock' staat nog het oorspronkelijke houten mededelingenbord waarop in de 17e eeuw de wetten van shogun Tokugawa werden opgehangen. Het klinkt misschien als weer een openlucht-museum maar in Tsumago is echt iets meer aan de hand. Het bewijs? In heel het dorp is geen automaat te bekennen! (De automatendichtheid is in Japan krankzinnig hoog en Japanners zijn gewoon om een breed scala aan dagelijkse producten uit de automaat te trekken. Van frisdrank, koffie en lekkers tot stropdassen en gebruikt schoolmeisjesondergoed. Ik overdrijf niet. Dus als in een dorp geen automaat te bekennen is, dan moet het wel authentiek zijn.) Het geheel ligt tussen diepgroene hellingen, zoals trouwens heel Japan buiten de steden dichtbegroeid en groen is. Aan de overkant van de witschuimende bergrivier is er vooral sprake van loof- en naaldbomen, maar achter het dorp wuift er zowaar een bamboebos. (Dat is ook het belangrijkste natuurlijke element dat het landschap onderscheidt van de Ardennen of het Schwartzwald, samen met de sawa's natuurlijk.) En toen kwamen we bij onze traditionele Japanse herberg, de ryokan, en overschreed de schilderachtigheid de grens van het geloofwaardige. De Japanse herbergier Franco leefde jarenlang in Italie als official bij ritsfabrikant YKK maar kwam als oudste kleinzoon spoorslags naar Japan toen opa overleed en hij de ryokan moest overnemen. Die taak heeft hij met, ik zou bijna zeggen, Japans perfectionisme op zich genomen. Onze ontvangst was hartelijk, vriendelijk en persoonlijk en onze kamer kon haast niet mooier. Schuivende panelen van rijstpapier; traditionele bedden op de grond; vloerbedekking van tatami-matten; slippers aan de voeten want schoenen uit bij de deur. De kamer bood voor en achter uitzicht op de twee prachtige Japanse tuinen. Onze kamer was natuurlijk niet het enige wat perfect was in de ryokan. Hij kende ook een badkamer Japanse stijl: in Japanse kamerjas van de eigen kamer op slippers naar de badruimte, daar eerst grondig douchen en wassen op een miniscuul krukje (waarom douchen Japanners niet staande?), en tenslotte naweken in het gemeenschappelijke houten bad tot de hitte van het water je er weer uit jaagt. Japanners weten dat een bad niet voor wassen is maar voor weken. Heerlijk! En wat Franco ons allemaal aan exquise eten voorzette maakte het paradijsje compleet. Ik zou alinea's kunnen wijden aan onze twee avondmaaltijden in Tsumago; ik kies ervoor om alleen de volgende opsomming te geven. Shabu-shabu, gerookte gans, rauwe paardenbiefstuk, 24 uur gekookte hele forel, baby-bijen. Baby-bijen? Ja, baby-bijen. Nee, dat is niet vies, dat is heerlijk. Tsumago was vroeger een poststadje op een van de vijf belangrijkste hoofdwegen tussen Edo (het oude Tokyo) en Kyo (Kyoto). Deze hoofdweg (amper anderhalve meter breed en lang niet overal geplaveid) ligt er nog steeds en is door de liefhebber te bewandelen, bij voorkeur naar het volgende schilderachtige historische dorp Magome. Natuurlijk kon ik mijzelf als rechtgeaarde Hollander deze wandeling niet ontzeggen, al meenden zowel reisgenoot Jaap als herbergier Franco dat ik gek was om heen en weer te lopen. Jaap nam de bus maar ik liep inderdaad de 8 kilometer (inclusief 600 meter stijgen en/of dalen) naar Magome en maakte daar na een korte bezichtiging en lunch met Jaap rechtsomkeert. Ook de wandeling was perfect. Lichte regen en 20 graden; niet eens genoeg neerslag om iets over mijn T-shirt aan te trekken. Het pad klom en slingerde door de loof- en naaldbossen, die af en toe plots plaats maakten voor dichte, metershoge bamboebegroeiing. En elke open plek was bebouwd met rijst in van die terrasvormig klimmende sawa's. Na 6 kilometer klimmen en genieten was de pas bereikt en begon de afdaling naar Magome. Aan die kant was het allemaal gecultiveerd landschap en ook het dorp daar was minder boeiend, maar de weg terug was weer sprookjesachtig; ik kon me voorstellen tijdelijk in de 16e eeuw te zijn. Twee watervallen maakten het geluk compleet. (En Chris, ik heb onze eer weer verdedigd: een wandeling die voor 3 uur op de kaart stond kon prima in 1:40, bleek.) Tsumago was het hoogtepunt in wat toch al een geweldige vakantie is. Maar in dit laatste verslag wil ik toch nog wat andere kleine dingen kwijt. Gelukkig hebben ze allemaal te maken met eten en overige consumptie. (Ik hou van thematisch georganiseerde verslagen.) Vrijdagavond was onze laatste avond in Kyoto en mijn verjaardag bovendien. Voor die gelegenheid hadden we een 'tafel' (twee kussens rond een koffietafeltje) geboekt bij een traditioneel Kyotaans (Kyotees? Kyotisch?) restaurant. Toen we er aankwamen bleek het een groot houten terras te hebben dat uitstak over de rivier; tot mijn grote vreugde hebben we het heerlijke eten dus naar binnen gewerkt terwijl langzaam de duisternis inviel over de stad en de bergen aan de overkant. Ik kan me beroerdere manieren voorstellen om mijn verjaardag te vieren. En gisteren, in Osaka, hadden we shabu-shabu in een ketenrestaurant waar het eten adequaat was maar het enige opmerkelijke de algehele ontzetting (en hilariteit) bij het personeel toen ik bij het verlaten van het toilet mijn hoofd stootte. Na het eten, daarentegen, kwamen we weer een mede-ondertekenaar tegen van het Japanse service level agreement (zie ViV #1). Aangezien we ons weer in een stad bevonden was het weer tijd voor karaoke, mede op verzoek van Jaap maar vooral omdat ik het de eerste keer toch wel erg leuk had gevonden. We vroegen de gerant om aanwijzingen naar de dichtstbijzijnde karaoke-bar, maar in plaats van aanwijzingen kregen we de kok mee, die ons zeker 10 minuten lang voorging naar een karaoke-bar op de 3e verdieping van een horeca-verzamelpand in de buurt. (Horeca in de grote steden is op een grootschalige manier kleinschalig: in torenflats is elke verdieping onderverdeeld in huiskamergrote units waarin een krankzinnige verscheidenheid aan bars is gevestigd. Dit leidt tot een erg ondoorzichtig uitgaansleven maar ook tot zeer kleurrijke uithangborden.) In de gevonden bar was een rijk opgetutte barvrouw/eigenares te vinden en twee middelbare salarymen. Wij verdubbelden dus de clientele - gelukkig kwam er later wat meer drukte. De middelbare 'suits' waren niet van zins om de microfoon als eerste ter hand te nemen dus die taak heb ik op me genomen, waarna we met een steeds groeiend gezelschap afwisselend Japanse smartlappen en pop-klassiekers uit mijn repertoire uit ongetrainde kelen hebben laten schallen. Ik begrijp nu geloof ik wel wat de Japanners zo leuk vinden aan dat gekweel tegen een televisiescherm met ondertiteling... Hiermee kom ik aan het eind van mijn verslaggeving vanuit het Land van de Dure Meloen. Overige verhalen zal je uit mijn eigen mond moeten vernemen, al dan niet verluchtigd met de 160 foto's die ik digitaal mee naar huis breng. Bedankt voor je aandacht en tot snel! Floris |
|
| BACK | |